
Sinds begin dit jaar (2020) gelden er bij ontslag andere regels voor het berekenen van de transitievergoeding. Een belangrijke wijziging is dat werknemers met een lang dienstverband vaak een lagere vergoeding ontvangen dan voorheen, maar daar staat tegenover dat iedere werknemer nu al vanaf de eerste werkdag recht heeft op een vergoeding.
Wat is de transitievergoeding?
Sinds 1 juli 2015 zijn werkgevers wettelijk verplicht om bij ontslag via het UWV of de kantonrechter een vergoeding te betalen. Deze dient als compensatie voor het ontslag en om de overstap naar een nieuwe baan te vergemakkelijken. De vergoeding bedraagt maximaal € 83.000 bruto (of één jaarsalaris als dat hoger is).
Wat verandert er in 2020?
1. Recht vanaf dag één Tot 1 januari 2020 had een werknemer pas recht op een transitievergoeding na een dienstverband van minimaal twee jaar.
- Nieuw: Vanaf 2020 heeft u als werknemer al vanaf de eerste dag van het dienstverband recht op een transitievergoeding.
- Tijdelijk contract: Dit geldt ook voor tijdelijke contracten die niet worden verlengd.
2. Nieuwe berekening De manier waarop de vergoeding wordt berekend is aangepast. De opbouw in 2020 is als volgt:
- De vergoeding bedraagt 1/3 van het maandsalaris voor elk kalenderjaar dat de arbeidsovereenkomst heeft geduurd.
- Ook voor de periode korter dan een jaar wordt de vergoeding naar rato berekend.
Mag u een fiscale voorziening vormen?
Als werkgever wilt u wellicht weten of u voor deze kosten een voorziening op de balans mag vormen (een ‘voorzienbare last’).
- De regel: Het moet gaan om toekomstige uitgaven die hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden voorafgaand aan de balansdatum.
- De praktijk: Bij een regulier vast dienstverband is ontslag doorgaans niet voorzienbaar. U mag hiervoor dus geen voorziening vormen.
- De uitzondering: Is er sprake van een voorgenomen reorganisatie of een specifiek ontslagtraject? Dan is de last wel voorzienbaar en kunt u onder voorwaarden wel een fiscale voorziening vormen.
